Transdisciplinair werken is een bijzondere aanpak waarin onderzoekers en praktijkprofessionals hun krachten bundelen om maatschappelijke vraagstukken aan te pakken. Hieronder presenteren we enkele voorbeelden die laten zien hoe de integratie van verschillende soorten kennis tot maatschappelijke impact leidt.
De Leefstraat in Gent is een initiatief waarbij bewoners hun straat tijdelijk omvormen tot een autoluwe ontmoetingsplek. In plaats van auto's is er ruimte voor groen, speelvoorzieningen, zitbanken, buurtactiviteiten en spontane ontmoetingen. Bewoners organiseren de straat zelf, terwijl de stad ondersteuning biedt met vergunningen, materiaal en begeleiding. Het doel is om de sociale cohesie te versterken en mensen anders te laten nadenken over de inrichting en het gebruik van de publieke ruimte.
De Leefstraat is een transitie-experiment dat de uitkomst was van een transdisciplinair onderzoeksproject in 2012 tussen DRIFT en de stad Gent. Met behulp van de transitie-arena-methode ontstond met een diverse groep van ongeveer twintig deelnemers een gezamenlijk leerproces, waarin wetenschappelijke inzichten over mobiliteit en leefbaarheid expliciet werden verbonden met de ervaringskennis van bewoners en met de handelingslogica’s van politiek en ambtelijke organisatie.
Centraal stond de volgende verbeeldende vraag: wat als de straat weer van de mensen is, en niet primair van de auto? Vanuit deze open, normatieve vraag is in een onderzoekende praktijk verkend wat dit in de dagelijkse leefwereld zou betekenen. De Leefstraat fungeerde daarmee als een transitie-experiment: een tijdelijke interventie waarin gezamenlijk werd geleerd, aangepast en betekenis gegeven. De fysieke herinrichting van de straat was geen doel op zich, maar een output van dat leerproces. Deze combinatie van verbeelding, experiment en gezamenlijke kennisproductie, maakt de Leefstraat tot een exemplarisch voorbeeld van hoe transdisciplinair werken kan bijdragen aan systeemverandering.


Met behulp van de leefstraat is de manier waarop binnen de Gemeente Gent wordt gekeken en gehandeld in mobiliteits- en straatbeleid aantoonbaar veranderd, met meer ruimte voor groen en ontmoeting in het stedelijk ontwerp. Het concept is herhaald en aangepast in tal van straten in Gent, elders in België en ook internationaal. Alhoewel deze impact moeilijk is te kwantificeren, kan wel gesteld worden dat het een iconische interventie is geworden in de bredere beweging naar eenopenbare ruimte waar de auto minder centraal staat en meer ruimte is voor groenen ontmoeting.
Waar en wanneer was dit project?
De eerste leefstraat is gerealiseerd in 2012. Het programma loopt nog steeds, met 50+leefstraten in Gent, en vele navolgingen zowel binnen als buiten België.
Foto’s van www.leefstraat.be
Bronnen:
Gysels, D.(2020). The Ghent Living Streets: experiencing a sustainable and socialfuture. In The handbook of sustainable transport (pp. 269–279).Edward Elgar Publishing. https://doi.org/10.4337/9781789900477.00040
Ownership, Value and the Question of Colonial Heritage in Museums
Pressing Matter onderzoekt hoe koloniale objecten kunnen bijdragen aan de omgang met het koloniale verleden en de doorwerking daarvan in de huidige en toekomstige maatschappij, zowel nationaal als internationaal. Dat doet zij onder andere door:
Hiermee draagt Pressing Matter bij aan een meer gelijkwaardige en inclusieve, internationale samenleving.
Het project werd uitgevoerd door een inter- en transdisciplinair team van historici, museumprofessionals, kunstenaars, datawetenschappers en betrokken (internationale) gemeenschappen. Een uniek aspect was de samenwerking tussen universiteiten en musea, gericht op collecties en hun documentatie, én op het reconstrueren van verzwegen dimensies uit de collectiegeschiedenis die buiten de officiële registraties waren gebleven. Zulk onderzoek werd voorheen vooral door individuele onderzoekers of losse musea gedaan; deze grootschalige, geïntegreerde aanpak was uniek binnen Europa. Ook het betrekken van gemeenschappen van herkomst en diaspora was uniek, iets wat voor individuele onderzoekers vaak lastig is. Dankzij de netwerken van het Wereldmuseum lukte dit wel. Tot slot werden artistieke perspectieven op objecten en collecties geïntegreerd, wat zorgde voor uitwisseling tussen artistiek en wetenschappelijk onderzoek.
Dit project heeft zich ontwikkeld tot expertise hub voor in steeds actueler geworden vraagstukken rond omgang met koloniale collecties (tentoonstelling, herstel, restitutie) en heeft een belangrijke rol gehad in de discursieve verschuivingen middels educatief materiaal, workshops en (experimentele) tentoonstellingen - zowel nationaal als internationaal. Zo zijn nieuwe analytische concepten als “refusal, rematriation, repair” in dit project verder uitgediept in samenwerking met artists-in-residence en hebben vervolgens een belangrijk rol gespeeld in meer dekoloniale discussies rond restitutie. De integere en inclusieve aanpak van het project heeft ook een belangrijke bijdrage geleverd aan het opbouwen van vertrouwen binnen inheemse en diasporagemeenschappen in de (nationale) omgang met koloniale collecties.
Dit project liep van 2021 tot 2025, en is gefinancierd door NWO via het programma Nationale Wetenschapsagenda – Onderzoek op Routes door Consortia (NWA-ORC). Het onderzoek heeft plaatsgevonden in Nederland, maar ook in Indonesië, Mexico en Zuid-Afrika waar tentoonstellingen, collaboratieve workshops en repair labs zijn georganiseerd.

Een gevoelig onderwerp als dit heeft verschillende risico’s. Het heeft geholpen om deze risico’s in een aantal thema’s onder te verdelen om ervoor te zorgen dat de risico’s goed worden begrepen en geadresseerd.
Deze thema’s zijn:
1. Risico’s met betrekking tot looptijd en projectmanagement. Deze risico’s hadden betrekking op personeelswisselingen, veranderende institutionele contexten en de praktische uitdagingen die inherent zijn aan een meerjarig project met meerdere partners.
2. Risico’s voor relevantie en urgentie.
Het politieke en maatschappelijke landschap rondom koloniale collecties veranderde gedurende de looptijd van het project in hoog tempo.
3. Relationele risico’s.
Deze risico’s vloeiden voort uit enkele onvoorziene spanningen of verschillen in verwachtingen tussen het consortium en externe partners.
4. Gevoeligheidsrisico’s.
Deze hadden betrekking op de omgang met menselijke resten en voorouderlijk materiaal dat in een koloniale context is verworven, evenals met andere emotioneel beladen geschiedenissen.
5. Logistieke en operationele risico’s.
Deze omvatten administratieve complexiteit, tekortkomingen in de infrastructuur en uitdagingen die voortvloeiden uit de omvang van het project.
Via: https://pressingmatter.nl/rethinking-the-restitutionary-moment-what-next-final-conference-pressing-matter-27-28-november-2025/
Rechten mogelijk via RCMC / Wereldmuseum op tevragen.
Ruimte voor de Rivier is een programma waarbij rivieren meer ruimte krijgen om veilig te kunnen overstromen bij hoogwater. Door maatregelen zoals dijkverlegging, nevengeulen en uiterwaardverlaging wordt de waterveiligheid vergroot, terwijl tegelijkertijd ruimte ontstaat voor natuur, recreatie en een aantrekkelijker landschap. Daarmee laat het programma zien hoe klimaatadaptatie kan worden gecombineerd met ruimtelijke kwaliteit en ecologische ontwikkeling.
Het programma verbeterde de waterveiligheid voor ongeveer 4 miljoen Nederlanders door de afvoer- en bergingscapaciteit van de grote rivieren (IJssel, Waal, Nederrijn, Lek) te vergroten. Dit verminderde het risico op overstromingen aanzienlijk, vooral in gebieden die eerder bedreigd werden, zoals na de overstromingen in 1993 en 1995, toen 250.000 mensen en 1 miljoen dieren moesten worden geëvacueerd. Naast veiligheid droeg het programma bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid in het rivieren gebied. Door dijken te verleggen, uiterwaarden te verlagen en nevengeulen aan te leggen, ontstond er meer ruimte voor natuur, recreatie eneconomische ontwikkeling. Dit leidde tot een aantrekkelijker en duurzamer rivierenlandschap.

Dit Rijksprogramma liep van 2006-2019 in het Nederlandse Rivierenland, als onderdeel van het Deltaprogramma.
Ruimte voor de Rivier was een transdisciplinair programma, waarbij wetenschap en praktijk hand in hand werkten om veiligheid, ruimtelijke kwaliteit en ecologische waarde te verbeteren. Er waren uiteenlopende wetenschappelijke disciplines betrokken zoals hydrologie, ecologie, geomorfologie, ruimtelijke ordening en sociale wetenschap. Ook werkten er een brede verzameling praktijkpartners samen waaronder diverse ministeries, Rijkswaterstaat, provincies, waterschappen, gemeenten, ingenieursbureaus en maatschappelijke organisaties. Het programma kenmerkte zich door een win-win-benadering, waarbij partijen elkaar serieus namen en samenwerkten op basis van gelijkwaardigheid. Binnen Ruimte voor de Rivier vormde het NWO-programma RiverCare als verbindende schakel tussen wetenschap en praktijk. Onderzoekers werkten nauw samen met overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties. De opgedane kennis werd direct toegepast in de praktijk, en omgekeerd landden praktijkvragen bij de wetenschap. Wetenschappelijke inzichten, bijvoorbeeld over ecologische voordelen en rivierdynamiek, werden direct vertaald naar maatregelen in het veld, zoals dijkverleggingen en uiterwaard verlagingen.
Foto: © Aerofoto Brouwer - Brummen
https://www.tweedekamer.nl/downloads/document?id=2013D12546
https://www.rijkswaterstaat.nl/water/waterbeheer/bescherming-tegen-het-water/maatregelen-om-overstromingen-te-voorkomen/ruimte-voor-de-rivieren#ruimte-voor-de-rivier